Drie instellingen regelen haar, en elk heeft een bijwerking. Een langere sluitertijd laat meer licht binnen maar maakt een bewegend model of een camera uit de hand onscherp; een groter diafragma laat meer licht binnen maar maakt de scherptediepte dunner; een hogere ISO maakt het beeld lichter maar voegt korrel toe die fijne stofstructuur wegvaagt. Een telefoon stelt alle drie zelf in, en wat de gebruiker overhoudt, is op het product tikken en de helderheidsschuif verplaatsen.
Automatische belichting mikt op een gemiddeld, middengrijs beeld, wat productfoto’s zelden zijn. Een wit kledingstuk op wit papier is lichter dan gemiddeld, dus de camera maakt het donkerder en het wit komt grijs uit; een zwarte tas op een donkere ondergrond wordt lichter gemaakt tot het zwart antraciet wordt. Belichtingscorrectie verhelpt dit: plus voor lichte scènes, min voor donkere. Het histogram is de controle: bij een witte achtergrond zit de achtergrond aan de rechterrand en de hooglichten van het product er net onder.
Overbelichte delen bevatten helemaal geen detail: het weefsel van een wit overhemd of de tint van een lichtroze is weg, en bewerking kan niet terughalen wat de sensor nooit heeft vastgelegd. Schaduwen kunnen meestal worden opgehaald, ten koste van wat korrel, dus een beeld dat iets te donker is, is veiliger dan een dat iets te licht is. Het hele beeld lichter maken om de achtergrond wit te krijgen, brandt ook de lichte delen van het product uit; de achtergrond apart belichten of het product vrijstaand maken behoudt zijn tinten.
